Hulp is zelden alleen hulp als het van een Amerikaan komt. De formidabele reddingsactie die de Amerikanen nu in Haïti op poten zetten, komt samen met de ambitie om langdurig politiek in te grijpen in het verwoeste land. En er geld te verdienen.
Waar de Chinezen in Afrika handel drijven op basis van puur zakelijke overeenkomsten – no morale attached –, komt contact met Amerikaanse instituties bijna altijd samen met een moral sidenote. De Amerikaan vertelt de wereld vanaf zijn high horse graag wat te doen. Dat wordt steeds moeilijker en Obama doet het een stuk minder dan zijn voorganger, maar een zekere zelfverzekerdheid, een gevoel aangewezen te zijn om de wereld te leiden, is de VS begrijpelijkerwijs niet vreemd.
En er is heel wat voor te zeggen. Google is een goed voorbeeld. Het kondigde kortgeleden aan te vertrekken uit China als de censuur blijft toenemen en wendt zijn macht op die manier aan om goed te doen.
Maar deze — hier nogal dik aangezette — mindset van morele superioriteit neemt een wat scherpe, misschien zelfs schadelijke, wending als het op rampen aankomt.
Amerika’s grootse militaire mogelijkheden zorgen ervoor dat het in zulke gevallen extra zelfverzekerd het voortouw neemt. En dat is goed. Want Haïtianen kunnen nu profiteren van Amerika’s vrijgevigheid, bijvoorbeeld in de vorm van voedselpakketten. Ik ben de laatste die zal beweren dat dit slecht is.
Toch komt ook deze goede actie van de Amerikanen met een cynische ondertoon. Om die goed te begrijpen moeten we bij Naomi Klein te rade gaan.
Slaatje slaan uit shock
Klein publiceerde in 2007 haar boek “The Shock Doctrine.” Daarin zet zij in heldere termen uiteen dat de “free market policies of Nobel Laureate Milton Friedman and the Chicago School of Economics have risen to prominence in countries such as Chile under Pinochet, Russia under Yeltsin and the United States, (…) not because they were democratically popular, but because they were pushed through while the citizens of these countries were reacting to disasters or upheavals.” (wikipedia)
Disaster capitalism noemt ze het ook wel. Klein gaat zelfs zo ver als te suggereren (en te onderbouwen) dat sommige van de rampen waar Amerikanen een slaatje uit weten te slaan, door hen zelf worden gecreëerd. (Full disclosure: ik heb het boek hier liggen maar ben nog niet op de helft.)
Terug naar Haïti
De stelling van Klein laat zich eenvoudig vertalen naar de situatie in Haïti. De Amerikaanse overheid legt zich in een uniek (en eerlijk gezegd tragikomisch) trio — Clinton, Bush (jr.) en Obama — toe op vergaande hulp, voor de korte en lange termijn. Die hulp komt er direct, en nogmaals, dat is goed en heel hard nodig.
Maar met de overheidshulp komen ook de cynische ondernemers van bijvoorbeeld de International Peace Operations Association (IPOA), die driftig hun duur betaalde diensten — snelle huizen, ordehandhaving, voedselvoorzieningen — aanbieden. Waarom cynisch? Omdat ze net zo goed in oorlog als in reddingswerk doen: de bedrijven die onder IPOA vallen zijn in sommige gevallen vertakkingen van de bedrijven die in Irak — de eerste echte geprivatiseerde oorlog — hun ‘diensten’ verkochten. Het soort diensten waar nogal wat juridische haken en ogen aan blijkt te zitten. (Toegegeven, ik heb het toch al niet zo op ‘winstbeluste bedrijven‘ (pdf))
De vraag is, en het zou flauw zijn om te doen alsof ik hier een antwoord op heb, want het is lastige materie — de vraag is: waar houdt het verlichte eigenbelang van “hulp met winst” op en waar begint cynisch opportunisme? Zijn de twee wel te scheiden?
Politieke ambities
Dat zijn lastige vragen, maar dat er cynisch opportunisme in de wereld is werd dagen na de ramp bevestigd door columnist Jim Roberts van het conservatieve weblog The Foundry van de Heritage Foundation.
De originele titel van zijn bericht las: “Amidst the Suffering, Crisis in Haiti Offers Opportunities to the US.” Later werd deze wat openlijk shock-doctrine-achtige kop veranderd in het vriendelijker: “Things to Remember While Helping Haiti.”
De stelling: “In addition to providing immediate humanitarian assistance, the U.S. response to the tragic earthquake should address long-held concerns over the fragile political environment that exists in the region.” In Kleiniaanse woorden: Amerika moet zijn kans grijpen nu de bevolking geen weerstand kan bieden, en de toekomst van Haïti positief — in zijn eigen politieke en economische voordeel — beïnvloeden.
Behalve dat zo’n opmerking een teken is van de Amerikaanse arrogantie waar ik dit stukje mee begon, dringt de vraag zich op of het echt wel zo erg is. Ik ben erg benieuwd naar uw ideeën daarover, waarde lezer, maar uiteindelijk zijn de enige die hierop antwoord kunnen geven de Haïtianen zelf. En die zijn juist op dit moment met hele andere dingen bezig.
Gerelateerde verhalen





Jelmer! Goed stuk! Wist helemaal niet dat je een blog bijhield. Ga vanavond nog wel wat meer van je lezen, maar wilde even snel reageren op wat je vandaag hebt gepost.
Heb afgelopen week meegedaan aan UNISCA, http://www.unisca.org, als je het niet kent. We moesten als delegates van bepaalde landen thema's behandelen en uiteindelijk tot compromissen en resoluties komen. Bij de thema's Millennium Goal I – eradicate extreme poverty en How the financial crisis threatens the least developed countries werd het interessant. Amerikaanse humanitaire en financiële steun komt inderdaad, zoals Klein deels suggereert, vaak met het doel de inwoners met de Amerikaanse neo-liberal denkwijze te beïnvloeden.
Aan de andere kant kunnen we in onze handen klappen dat ze wel met benodigde hulp komen, maar er kunnen wel degelijk kanttekeningen worden geplaatst bij de oprechtheid aan Amerikaanse kant. Heb er nog aantal UNISCA-artikelen van, als je geïnteresseerd bent?
@Roel: Zeker, stuur maar door! Het blijft een interessant vraagstuk.
Ik lees trouwens net een oproep om nu niet moeilijk te doen en actie van alle partijen die iets doen voor Haiti — wat dan ook — te applaudisseren. Daar zit ook wat in, maar het probleem is dus juist die groep 'helpers' die gebruik maakt van de chaos om eigen belangen te dienen.
Nog een aanvulling, ik kreeg van een kritische lezer commentaar op de eerste zin: "Hulp is zelden alleen hulp als het van een Amerikaan komt." Achteraf is die zin inderdaad wel heel kort door de bocht. Niet alleen Amerikanen geven om andere redenen dan het 'pure geven'. Dat doen we allemaal, er is altijd een element van eigenbelang als je een ander iets geeft (toch?). Daar walste ik in mijn gehaaste enthousiasme wat snel overheen.
Dank voor de reacties!
"De Amerikaan vertelt de wereld vanaf zijn high horse graag wat te doen."
Zit misschien een kern van waarheid in, maar zijn niet alle landen zo? Amerika is gewoon nog altijd het machtigste land ter wereld, en daarom luisteren andere landen ook echt naar ze. En het lijkt me belangrijk te melden dat dat vooral voor Amerikaanse politici geldt. Er zijn genoeg Amerikaanse burgers die zich haast schamen Amerikaan te zijn.
En maak je geen illusies: ook Nederland profiteert dik van ontwikkelingshulp. Als er NL hulp gegeven wordt, wordt tegelijkertijd verwacht dat onderdelen, goederen etc. van Nederlandse ondernemers worden afgenomen.
@Eva, ik denk dat je gelijk hebt. Ik heb ook weleens zo'n beschaamde Amerikaan meegemaakt. Hij deed veel denken aan een beschaamde Italiaan. Als iemand iets van Nederland weet (Wilders bijvoorbeeld), zou ik me ook schamen in het buitenland. Ik heb me ook weleens bijzonder lullig gevoeld toen ik Sinterklaas en zwarte piet uit moest leggen. Ga daar maar een aan staan. "Nee joh, dat is geen discriminatie, dat is traditie!"
Ik denk niet dat de rest van de wereld nog steeds naar Amerika luistert. Dat met hypocriete air gevulde ballonnetje is door Guantanamo toch wel goed lek geprikt. De VS kan al lang niet meer met autoriteit over mensenrechten praten. (Zie ook mijn laatste bericht).
Toch zijn er inderdaad nog steeds politici, misschien alleen politici, die het blijven proberen. Zij hebben geen idee wat voor flater ze slaan in de ogen van de rest van de wereld. Hierover staat op mijn leeslijst "Occidentalisme" van Ian Buruma, ondergetiteld: Het westen in de ogen van haar vijanden. Als ik 'm uit heb — dat kan een jaar duren
— kom ik erop terug.