Twitter: jhmommers | E-mail: mom@jelmermommers.nl

Lege hokjes

Inmiddels is duidelijk dat ‘links’ en ‘rechts’ als categorieën tekortschieten om de politiek echt te begrijpen. Toch worden ze te pas en te onpas gebruikt.

Woensdag zond de AVRO het programma Zóóó rechts uit, alsof het gepland was: een heel programma over wat rechts precies is, net als hier linksrechtsweek aan de gang is. Dankbaar materiaal.

De show draaide om de Hoe rechts ben jij-test, en om vragen als Wat is rechts? Is deze muziek rechts? Kun je je rechts kleden?

Er kwamen nogal wat SAY-WHAT?-momenten langs. Mei Li Vos vertelde dat ze aan de rechterkant van de PvdA zit, namelijk de vrijzinnige sociaal-liberale kant. Maar banken, daar is ze “heel links” over. Joost Eerdmans van de LPF is zeker weten rechts, maar niet in alles. Hij is voor openbaar vervoer, en dat “schijnt links te zijn”.

3FM dj Gerard Ekdom werd opgezadeld met de opdracht rechtse muziek te draaien, en hij kwam uit bij de Stones, omdat de manier waarop zij belasting proberen te ontlopen ‘rechts’ is. En oh ja, helder licht Ekdom roept voor het gemak ook jazz uit tot ‘rechtse muziek’. “Als je naar een VVD feestje gaat zul je Frank Sinatra horen, denk ik.” Radiohead is volgens Ekdom ‘radicaal links’: “Die zitten ook echt politieke teksten te vermengen in muziek, echt links.”

Volgens de prof

Gaandeweg wordt duidelijk dat mijn positie aan het begin van deze week zo belabberd nog niet was: de gesprekken over wat rechts is overtreffen elkaar in vaagheid. Gelukkig is er een prof in de zaal, Meindert Fennema, die uitlegt dat rechts in politieke zin twee dingen kan betekenen.

In de sociaal-economische sfeer is rechts een voorkeur voor vrijheid, zelfs als dat ten koste gaat van gelijkheid. In de culturele sector is dat precies omgekeerd: rechtse mensen zijn voor gelijkheid, zelfs als dat ten koste gaat van de vrijheid. Een rechts iemand zegt: “Wat fijn dat we allemaal hetzelfde zijn.”

Even later vertelt Fennema dat er behalve deze politieke betekenissen ook nog een sociale lading aan de begrippen links en rechts kleeft. Links staat volgens de professor voor “onhandig, vrouwelijk, afhankelijk, homoseksueel.” Rechts daarentegen staat voor: “oprecht, zelfstandig, recht door zee, lekker in z’n vel.” Rechtse mensen zijn in deze lezing degenen die gaan voor succes, en een hekel hebben aan losers.

Volgens onderzoek van de AVRO denken Nederlandse mensen bij ‘rechtse politiek’ vooral aan het beperken van het aantal immigranten, het integratievraagstuk, ieder voor zich, en minder belasting.

Fennema licht nog toe dat rechtse mensen voor één gezinsvorm zijn, omdat ze “in culturele zin” willen dat iedereen gelijk is. Vandaar ook dat ze ‘tegen’ de multiculturele samenleving zijn. (Dat lijkt me iets als tegen watervallen zijn, ook een natuurverschijnsel, maar goed.)

Volgens de politici

Presentator Ruben Nicolai ging ook naar het Binnenhof om politici te vragen wat rechts precies is, en hoe rechts ze zijn:

  • “Dierenwelzijn, mens, milieu, dat kun je helemaal niet plaatsen in links of rechts.” – Marianne Thieme (Partij voor de Dieren)
  • “Rechts is als je vindt dat de rijken rijker mogen worden. Sociaal en links; voor een leukere betere wereld, voor iedereen. Dat is het verschil met rechts.” – Agnes Kant (SP) is hierbij gekroond tot Kampioen Kinderachtig.
  • Rechts staat voor “ondernemer in je eigen leven, maar wel in een sociale omgeving, dus als het echt ellendig is heb je natuurlijk even hulp nodig van die omgeving.” – Mark Rutte (VVD), door Fennema geduid als libertair.
  • “Dat kleeft ook aan rechts, dat ze een beetje anti-allochtoon zijn, dat ze een beetje racistische trekjes hebben. Wat ook gewoon heel vaak niet waar is.” – Tofik Dibi, die aan de rechterkant van GroenLinks zou zitten.
  • “Rechts houdt voor mij in: reëel. Realiteit. Reële standpunten innemen. Die kunnen progressief zijn, die kunnen conservatief zijn. Links is meer beetje geitenwollensokken.” – Rita Verdonk (TON), die zelf natuurlijk niet rechts is, maar recht door zee. Maar, vult ze aan: “Misschien is het wel heel ouderwets om nog te spreken in links- en rechts-tegenstellingen.”

Fennema negeert die laatste opmerking en echoot even later Verdonks nadruk op de realiteit: “Rechtse mensen zijn realistisch, dat is natuurlijk ook zo. Je moet vooral niet teveel willen veranderen, want dat lukt je nooit. Dat is ook rechts.”

Dat onderscheid kwam deze weken al eerder aan bod: links als bevlogen, rechts als beredeneerd. Blogger Tim in Zóóó rechts: “Ik probeer te bereiken dat mensen iets beter begrijpen hoe politiek werkt. En dat ze zien dat heel veel dingen die linkse politici roepen leuke experimenten zijn, maar dat ze niet gaan werken.”

Nationalisme

Volgens Fennema hoort nationalisme bij rechts. “Omdat het benadrukt dat we allemaal hetzelfde zijn. Die nadruk op nationale eenheid leidt ook tot eenvormigheid. Daartegenover staat het kosmopolitisme van links, dat overigens al heel oud is. Het werd in de 18e eeuw al eens door Rousseau omschreven als: “De heren die pretenderen om van iedereen te houden om een voorwendsel te hebben om van niemand te houden.”

Uitslag

Aan het einde van de test, die u trouwens ook zelf kunt doen, blijkt natuurlijk dat niemand 100% rechts of links is. Je kunt links denken op economisch vlak, en rechts op cultureel, of andersom. Ik kom trouwens uit op 25% rechts, dat is “duidelijk niet rechts.” Ik ben volgens de test een linkse globalist, progressief, en hoewel ik een beetje comfortabel leven belangrijk vindt, sluit ik m’n ogen niet helemaal voor immateriële zaken zoals kunst en het milieu. Ik vind het altijd knap hoe zo’n test dit soort wilde claims kan maken op basis van 16 malle vragen, maar a la.

Uiteindelijk blijkt het hele format tekort te schieten. Zoals eerder deze week al duidelijk werd, en zoals Rita Verdonk in het programma zei: links en rechts zijn achterhaald. Het zijn ontoereikende hokjes.

De kern is dat gesprekken over links en rechts gesprekken zijn over de stereotypen over links en rechts. Fennema beschrijft geen bestaande scheiding, hij beschrijft bestaande stereotypen. Links en rechts zijn helemaal niet: niemand is het één of het ander.

Een linksrechtsbegrip van de politiek is vooral een slecht idee omdat de linksrechtsbeelden de werkelijkheid bijna volledig ontgroeid zijn, ze zweven door de politiek als lege mallen die hun doel missen, maar die door iedereen te pas en te onpas worden aangegrepen, telkens met een andere lading.

Het lastige is dat wij niet tweedimensionaal kunnen denken. Eendimensionale tegenstellingen werken in onze hoofden, gecombineerde tegenstellingen niet. Goed en slecht, rechts en links, warm en koud, hoog en laag.

Overzichtelijk.

Links en rechts zijn als woorden overladen met betekenis, maar ze blijken niet de meest zinvolle tegenstelling om echt veel van de politiek te vatten. Is de tegenstelling progressief/conservatief wel zinvol? Morgen meer.

***

dit bericht hoort bij linksrechtsweek


Gerelateerde verhalen
  • Hopey changey stuff
  • Links en rechts: wederzijds onbegrip
  • Wijffels’ analyse
  • Over links en rechts in de politiek
  • Heldere taal

    1. jesse

      Die test is hilarisch
      “waar ga je graag heen op vakantie?”
      -een eco vakantie in Afrika
      -gewoon kamperen in Frankrijk
      -een verre reis, zodat ik indruk kan maken op mijn vrienden

      ooookeee… ik zou het liefst een verre reis doen, maar kies dan toch maar voor kamperen…

    2. Chala H. Garcia

      Een politicus/partij zal zoals je zegt zelden het stereotype ‘links’ of ‘rechts’ zijn, maar zolang je de begrippen gebruikt om de mate waarin iemand (op een bepaald gebied) neigt naar die stereotypen/stereotypische mentaliteit, is er toch geen reden om de begrippen links en rechts te verwerpen?

    3. René Hasert

      Een reden om de begrippen te verwerpen, is dat het publieke debat te kort schiet om überhaupt over politiek te praten. Zodra mensen het over dit soort algemene, weinig inhoudelijke begrippen hebben, weet je dat het gesprek de plank mis slaat. Er wordt op zo’n moment over niets gepraat. Politiek debat zou moeten gaan over specifieke, concrete onderwerpen, niet over globale, populaire lucht. Daarom zou menigeen niet over politiek moeten praten. Dan doel ik vooral op televisieprogramma’s, die door eeuwig tijdgebrek mijn hele punt ondersteunen. Televisie is niet gemaakt voor politiek debat, tenzij er onbepaalde tijd voor wordt vrijgemaakt. Juist door televisieprogramma’s als DWDD en P&W, ontstaat dit soort stereotypering. Daarom lijkt het mij ook een stuk interessanter om de politiek wat minder publiek te maken, om flaters en modderfiguren te voorkomen, en eens serieus aan de slag te gaan. Niemand heeft er iets aan over en weer gebakken lucht aan te horen.

    4. Chala H. Garcia

      René, in principe ben ik het eens met je aristocratische opvatting, alleen moeten we ook realistisch blijven. Het feit blijft dat de democratie in de westerse wereld algemeen geaccepteerd wordt als meest geschikte vorm van regering staat als een blok. Die democratie vraagt nu eenmaal om participatie van ‘het volk’, en dus (jammer genoeg?) ook van degenen die er de ballen van begrijpen.
      In deze situatie kun je dus roepen om een aristocratie, met het gevaar een dictatuur te ontvangen, of het ‘publieke debat’ in niveau te doen stijgen door er actief aan mee te doen. Denk ik.

    5. Mom

      Ik ben het niet eens met de idee dat niet iedereen mee zou moeten doen met de politiek.

      Goed populisme is niet eng.

      Duister populisme, Wilders-style, is wel eng. Dat teert op angst, woede, ongenoegen. Maar waar komen die gevoelens eigenlijk vandaan?

      Lelijk populisme is geen kwaal, het is een symptoom dat zegt dat er iets goed mis is in een land. Daar moeten we wat aan doen, en dat moet dus met z’n allen. En “z’n allen” heeft niet op de universiteit gezeten, maar wie zijn wij — woohoo, wij kunnen goed lezen en hoge cijfers halen op school! — om de rest te passeren?

      Het pijnlijke is dat duister populisme – gebaseerd op angst – zo goed draait omdat de meeste academici in de politiek falen: ze leggen niet uit wat er aan de hand is wat er moet gebeuren. Niet gek dat sommige mensen er de ballen van begrijpen en gaan handelen op hun meer primaire ingevingen.

      Politici moeten gewoon minder spelletjes spelen en beter uitleggen wat ertoe doet. Iemand die dat op een goede manier kan, is een goede populist. Dat hoeft geen vies woord te zijn.

      Hasert, je zegt: minder publiek. Ik zou zeggen: beter publiek.

      Lees (of leen van mij): Pleidooi voor Populisme, van David van Reybrouck.

      Ik vind wel dat TV een poepmedium is voor politiek, maar ik vind TV sowieso shit. Meestal.

      Dank voor jullie reacties!

    6. Mom

      Met ‘beter publiek’ bedoel ik trouwens niet dat het publiek beter moet zijn, maar dat de politiek zijn publieke taken beter moet uitvoeren. En dan doel ik niet op Jip en Janneke taal

    7. René Hasert

      Chala, Jelmer,

      Ongenoegen lijkt mij de belangrijkste reden om naar de stemkastjes te lopen, niet waar? Het lijkt mij het voornaamste argument voor een democratie, en niet louter populistisch a la Wilders.

      De populist weet goed in te spelen op de perikelen in de samenleving. Dit betreft anders dan je zou denken niet perse goede politiek, aangezien perikelen er met een reden zijn. Namelijk, omdat er een doel met een hogere prioriteit wordt gediend. Dit betekent dat niet alle belangen worden behartigd. Allicht, dit is een onmogelijkheid. Ongenoegen is niet erg, het weerhoudt de politiek ervan een eindpunt te bereiken. Echter, de populist gaat ongenuanceerd op dit ongenoegen in. “This will not stand!” Populisme is puur je vinger op de zere plek leggen, en schreeuwen maar. Deze eenzijdigheid en oppervlakkigheid in de politiek, dat typeert het populisme, meiner Meinung nach. Wie het hardst en mooist schreeuw heeft volgelingen, zo blijkt. De beste stuurlui komen zo aan wal te staan. Een goede politicus hoeft niets juist te onderbouwen; een goede politicus hoeft slechts de juiste melodie te fluiten..? Mensen verkiezen charisma boven de rede en oneliners boven argumentatie.

      Je zult mij niet horen zeggen dat ik de politiek zou willen inperken tot iets elitairs, iets waar alleen hoger opgeleide mensen iets mee te maken zouden moeten hebben. Ik acht mijzelf ook niet voldoende bedeeld om deel te nemen aan het politieke debat. De democratie vraagt niet om een participatie van het volk, het geeft het volk het recht te participeren –zo zie ik dat althans. Doordat het ongenoegen zo ontzettend wordt aangewakkerd, krijgen mensen het idee dat voor hun mening op te komen; ook als ze in principe tevreden zijn. Volgens mij is er in dit land niet zo verschrikkelijk veel mis, behalve dat veel mensen op basis van verkeerde motieven stemmen. Deze verkeerde motieven zijn gemakkelijk te traceren, ze zijn het gevolg van opgeblazen media.

      Let wel, ik heb niet de illusie dat er verandering zal komen in de manier waarop de media met politiek omgaat; zie mijn woorden dan ook niet als geponeerde oplossing, maar veeleer als klacht.

      Ik denk dus dat beter publiek of het niveau doen stijgen een nobel streven is, maar dit is denk ik alleen mogelijk als er minder publiek is. De veelheid aan meningen en stemmen maakt het water slechts troebel, we kunnen de redelijke politiek op de bodem niet zien. (Excuseer mijn weinig treffende beeldspraak)

      Mijn perceptie van het populisme baseer ik louter op hetgeen zich voordoet in Nederland. Dit populisme staat mij bij als verwerpelijk. Zodra zich ‘goed populisme’ voordoet, zal ik mij opnieuw moeten beraden.
      Wat ik onder goede politiek versta, is redelijke politiek. Dus niet het winnen van zetels, “by all means”.

      Dat pamflet ga ik kopen, lijkt me leuk om te lezen!

      Proost!

    Leave a Reply

    Blijf via e-mail op de hoogte van toekomstige reacties op dit bericht. U kunt zich ook aanmelden zonder mee te praten.