Twitter: jhmommers | E-mail: mom@jelmermommers.nl

Bijzonder brein

Dit bericht hoort bij breinweek

Sven Kramer is niet alleen een razendsnelle schaatser, hij is ook een player. Want wie genot niet weet uit te stellen, zal het nooit tot Olympische hoogte schoppen.

Sven Kramer schaatst

Een emotionele ontlading maakte zich meester van Sven Kramer toen hij eindelijk zeker wist dat hij de 5 kilometer had gewonnen. Maar zijn ouders stonden al de hele tijd te huilen. Hoe lukt het topsporters om hun emoties zo in toom te houden dat ze onder alle druk toch weten te presteren? Op zoek naar antwoorden in het brein van de topsporter.

De hersenen van absolute topsporters zijn niet hetzelfde als die van de rest van ons. Ze zijn sneller, beter in het verwerken van informatie, en beter in het nemen van de juiste beslissingen als er druk op de ketel staat. Dat dit fascinerend is weten we al: het is de reden dat we zo graag naar topsport kijken.

Hoogleraar in de neuromechanica Bert Otten onderzoekt hoe bijzondere bewegingen – bij sporters of musici – werken. “Ik heb een filmpje van een Russische hoogspringster. Zo’n giraffe van een vrouw, twee meter vijf. Het is ongelofelijk hoe die ruggelings over zo’n lat heen gaat.”

“De moeilijkheid is dat de wereld de hele tijd anders is. Maar zo’n springster kan de verschillen van de veerkracht van de grond, de akoestiek, de lichtval op de stok, allemaal verwerken tot de goede aansturing. Daar zit het talent.”

Flow

Als je buitengewone (sport)prestaties neer wilt zetten helpt het als je volledig op kunt gaan in het moment. Wie compleet geconcentreerd, vol actief, maar tegelijkertijd geheel ontspannen is, beleeft een toestand die neurologen flow noemen. Otten wijst weer naar de hoogspringster: “Ze is gewoon niet op de wereld. Zie je hoe glazig ze kijkt voordat ze springt? Het publiek doet haar helemaal niets.”

Mensen die flow niet kennen begrijpen er weinig van. Zelfs topsporters vinden het moeilijk om het gevoel precies uit te leggen. Tijdens flow gebeurt iets bijzonders, dat ‘tijdsdilatatie’ wordt genoemd. “Dat is een teken dat je één bent met de situatie en dat je brein op volle snelheid draait. Voor de sporter lijkt de tijd dan langzamer te verlopen.”

“Als je geen flow kunt oproepen, kun je nooit een goede topsporter worden.”

Bert Otten, hoogleraar in de neuromechanica

Niet denken

Om flow – het summum van motorische intelligentie – te bereiken is er eigenlijk maar één voorwaarde: niet teveel denken.

Zelfreflectie is gevaarlijk voor een topsporter. Een deel van ons brein dat ook belast is met reflectie is de premotor cortex. Dat is ook de plek die controle over onze spieren regelt. Het probleem is dat de neuronen in onze hersenen maar één ding tegelijk kunnen.

Brein - rood gemarkeerd is de premotor cortex (ongeveer)

Rood gemarkeerd de premotor cortex (grofweg). Omdat neuronen 'maar' een ding tegelijk kunnen, moet de sporter niet teveel reflecteren.

Wie zich te bewust is van zichzelf, loopt dus vast en verliest zijn flow. “Zelfreflectie kan die hele mooie geoliede machine van het hier en nu doorbreken, omdat de neuronen in je premotor cortex geen twee dingen tegelijk kunnen.”

Maar hoe kan het dat sporters hun gedachten zo goed kunnen uitschakelen? Otten: “Dat is die flow. Het is overgave. Vertrouwen.”

Dat betekent niet dat de sporter angstvrij is, maar dat de angst hem niet blokkeert. Pas als de angst zich bewust manifesteert verdwijnt de flow, en volgt bevriezing. “Er zijn talenten die onmiddellijk heel goed zijn en dan terugvallen. Die worden zich door teveel aandacht bewust van wat ze eigenlijk gedaan hebben. Denk aan Ireen Wüst. Die naïeve, jonge hond-achtige souplesse, die moet je proberen te houden.”

***

Nature versus Nurture

In hoeverre topsporters worden geboren met een brein dat de verhouding tussen angst en vertrouwen kan balanceren, is onderwerp van discussie.

“Talent is aangeboren”
Het bekendste voorbeeld dat sportprestaties genetisch zijn bepaald is de tennistweeling Serena en Venus Williams. De zussen hebben ondanks dezelfde opvoeding een compleet andere speelstijl: waar Venus het moet hebben van snelheid, is Serena een echte powertennisser.

Neuropsycholoog Erik Matser bewees dat op jonge leeftijd aan de hersenstructuren te zien is of topprestaties mogelijk zijn. Ook Donald van Lier, die als gymleraar in Hilversum lesgeeft aan onder andere jongere voetballers van Ajax en FC Utrecht, vermoedt dat talent voor het grootste deel in de genen zit. “Ik zie het bij jongetjes die in hetzelfde team voetballen. Ze trainen allemaal even fanatiek, maar sommigen zijn toch een stuk beter.”

“Talent is aangeleerd”
Goede genen zijn niet zaligmakend. Wiens wieg niet in een rijk land staat, heeft het immers een stuk moeilijker om het tot de Spelen te schoppen. Daarnaast is bewezen dat spieren en het zenuwstelsel te trainen zijn. “Dat heet een preflex. Een spier kan zich vooraf instellen, zodat ze iets onverwachts kunnen opvangen” legt Otten uit. “Spieren hebben dus geheugen.”

Ook aan het zenuwstelsel valt te schaven. “Atleten die met hun handen sporten, vertonen grotere en andere sensorenprojecties dan mensen die dat niet doen.” Nature mag dan bepalen waar je grenzen liggen, nurture bepaalt waar je uitkomt.

***

Passie

Behalve een gepaste combinatie van alle voorgaande eigenschappen en een topcoach is passie de voorwaarde om een supertalent te worden. Otten denkt dat echte toppers één ding gemeen hebben: een ijzersterke wil. “Ik zie veel sporters. En ik zie aan de twinkeling in hun ogen dat ze een passie hebben. Die mensen zijn gewoon gek. Ik heb dat met wetenschap.”

Maar in die passie schuilt ook een gevaar. Want wie gevangene wordt van zijn bewegingslust loopt het risico overtraind te raken. “Dat zie je bij nogal neurotische mensen. Die zijn de hele tijd op zoek naar de kick van het nu.”

Mensen met zulke neurotische trekjes kunnen nooit topsporter worden, omdat ze zichzelf de hele tijd willen belonen. Alleen degenen die het genot weten uit te stellen – een maand, een jaar, tot de volgende Olympische Spelen – kunnen de absolute top halen.

Misschien was dat wat we zagen van Sven Kramer, vorige week. De ontlading was niet alleen van de Olympische spanning, het was de beloning waar zijn brein al lange tijd naar snakte.

***

Dit bericht hoort bij breinweek. Het is ook verschenen in de krant van mijn opleiding journalistiek. Ik heb samen met Joëlle Swart aan dit stuk gewerkt, het debat nature versus nurture is door haar geschreven. De foto van Sven Kramer is gemaakt door Bjarte Hetland en wordt beschermd onder creative commons copyright versie 3.0. Ik ben veel dank verschuldigd aan Bert Otten voor zijn toegankelijke uitleg.


Gerelateerde verhalen
  • Over ons brein
  • Je brein kiest
  • Discussie
  • Science fiction
  • Even kijken wat je precies denkt

    1. Simone Vreeke

      Beste Jelmer en Joëlle,

      Ik als derdejaars psychologie student heb een kleine opmerking over het nature vs nurture debat. Ik heb hier in mijn studie al vele discussies over gevoerd en ik denk dat het voorbeeld van de Williams zusjes geen goed argument is voor nature standpunt. Omdat ze samen opgegroeid zijn kan hun sport talent ook een argument zijn voor nurture. Ze hebben dezelfde mogelijkheden gehad, dezelfde mensen gezien, het zelfde voedsel, enz.
      Het feit dat hun talent zich op een andere manier uit (snelheid vs. power) veranderd hier niks aan. Dit kan namelijk juist een gevolg zijn van nurture (het feit dat ze samen opgegroeid zijn). Tweelingen die samen opgroeien hebben de neiging om zich verschillend te ontwikkelen. Omdat ze door de omgeving vaak als één tweeling worden gezien gaan ze opzoek naar manieren om zich te onderscheiden als individu. Dit hebben Serena en Venus misschien (onbewust) gedaan door hun tennisstijl aan te passen.

      Een beter voorbeeld zou een tweeling zijn die niet samen in opgegroeid maar ik weet niet op dit onder de topsporters te vinden is.

      Groetjes, Simone

    Leave a Reply

    Blijf via e-mail op de hoogte van toekomstige reacties op dit bericht. U kunt zich ook aanmelden zonder mee te praten.